Jul 10 2007

Open innovatie heeft de toekomst

Innovatie. Het is langzamerhand een gevleugeld woord aan het worden in de media. Europa moet innoveren om de rest van de wereld bij te kunnen houden. Nederland heeft haar eigen Innovatieplatform. Maar de betekenis van innovatie verwatert ondertussen op dezelfde manier als het begrip duurzaamheid de afgelopen jaren verwaterde.

Wat betekent innovatie? Volgens de Van Dale is het “invoering van iets nieuws”. Wikipedia gaat al iets verder en stelt: “Innovatie of vernieuwing is het invoeren van nieuwe ideeën, goederen, diensten en processen. Innovatie kan plaatsvinden binnen organisaties maar ook binnen bredere verbanden. Het proces van innovatie draait om dingen op een nieuwe (en zo mogelijk ook betere) manier aan te pakken.”
Daarbij maken de Wikipedia-redacteuren onderscheid tussen een uitvinding en een innovatie. De eerste kom je (bijvoorbeeld) tegen in een laboratorium, van de tweede spreek je als een uitvinding is geïmplementeerd in een (productie)proces.

Zoals ik al aangaf in het item over de innovatie van Nintendo kan het succesvolle resultaat van innovatie bestaan uit hele kleine aanpassingen aan een product. Meestal is het eerder zo dat kleine aanpassingen van een product of proces vanuit een nieuwe visie succesvoller zijn dan intensieve technologische verbeteringen. Arnoud Engelfriet legt dezelfde nadruk in zijn artikel over open innovatie. Daarin geeft hij aan in welke richting innovatie moet gaan:

Een innovatie is een feature, een aspect, een onderdeel van een product. Een moderne televisie bevat bijvoorbeeld meer dan 600 uitvindingen . Sommige daarvan zijn innoverend: Ambilight, 100 Hertz, verbetering van de beeldkwaliteit. Andere zijn al oud: teletekst, automatische zenderselectie, stereo geluid. En dat zijn er nog maar zes van de zeshonderd.

Die overige 594 bij elkaar harken is nog een flinke klus. Die technologieën beschouwen we allang niet meer innoverend of differentiërend. Die wil je dus graag zo goedkoop mogelijk ergens inkopen, en het maakt niet zo veel uit bij wie. Zolang het maar gewoon werkt. Hoe krijg je dat nu voor elkaar?

Het antwoord is: open source software. Deze vrij beschikbare software is het platform waarop voortgebouwd kan worden. Bedrijven en organisaties hoeven zo niet steeds zelf het wiel opnieuw uit te vinden, maar bouwen voort op het eerdere werk van anderen. En daaraan voegen ze hun eigen onderscheidende elementen toe. Dat dit geen toekomstmuziek is blijkt wel uit het volgende lijstje:

  • Nokia is druk bezig met open source;
  • IBM gelooft volledig in open source als onderdeel van de innovatiestrategie;
  • De succesvolle internetbrowser Firefox is weer gebaseerd op de open source gemeenschap rond Mozilla; en
  • Technologieën die door de Firefox/Mozilla open source gemeenschap werden gecreëerd vormen nu de basis van vernieuwende applicaties als Joost en Songbird.
  • En dan ga ik in dit overzicht nog niet eens in op de open source software waarop de helft van alle websites wereldwijd draaien, als het niet meer is.

Open source als basis voor innovatie is dus geen droom, het is realiteit. Voorlopig is het beperkt tot web- en IT-gerelateerde organisaties of organisatie-onderdelen. Maar naast de software komt er ook steeds meer interesse voor het proces van samenwerken waaruit open source software ontstaat. Ook wel Crowdsourcing geheten. Daarover binnenkort meer, zodra ik in het al klaarliggende Wikinomics ben gedoken (dat niet voor niets de ondertitel ‘How Mass Collaboration Changes Everything’ heeft).


Jun 13 2007

Netneutraliteit op de wip?

Stel je eens voor: Jij hebt veel vrienden en familie die in het buitenland wonen. Via Skype of Jajah.com (of een andere Voice Over IP dienst) hebben jullie regelmatig contact. Maar ineens werkt je VOIP-programma niet of nauwelijks meer! Dan zou het kunnen dat je internetprovider, die zelf een betaalde VOIP-dienst aanbiedt, het gebruik van concurrerende VOIP-diensten probeert te belemmeren.

Het bovenstaande is nog nauwelijks in Nederland voorgekomen. Momenteel is het nog zo dat de beheerders van de verbindingen tussen de verschillende internetwerken al het internetverkeer op dezelfde, neutrale manier doorgeven. Dit noemen we netneutraliteit. De hedendaagse breedbandaanbieders zien echter duidelijk mogelijkheden in het beperken en voorrang geven van bepaalde websites of internetdiensten. Het laatste natuurlijk tegen gepaste betaling.

Een internet van voorrang en beperkingen heeft echter grote nadelen, zoals gisteren werd aangehaald op het symposium ‘Netneutraliteit tegen het licht‘ (waarvan hier een verslag staat):

Voordelen van netwerkneutraliteit is dat er laagdrempelig toegang is tot internet voor zowel consumenten, prosument als producent. Zonder netwerkneutraliteit wordt het startups (zoals de “next google”) veel moeilijker om hun diensten via internet aan te bieden en zou internet verworden tot een soort van Kabel TV, waarbij de (breedband toegang) aanbieder bepaald wat er te zien is. Dat is een bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting en zal veel regeling achteraf (ex-post) tot gevolg hebben, om het weer recht te trekken.

Conclusie van het symposium was “dat het vooral een theoretische discussie is, want je kan geen voorrang geven aan pakketjes, want er is toch voldoende capaciteit”. Daar is het een en ander op aan te merken, maar positief is dat de betrokken partijen nadenken over netneutraliteit.

Terzijde, in de V.S. is netneutraliteit eerder afgewezen door het Huis van Afgevaardigden.


Jun 12 2007

Brengt internet de nieuwe openheid?

De kracht van internet is de openheid. Iedereen kan alles wat online staat bekijken. Je kunt webpagina’s downloaden, de HTML code erachter bestuderen, daarvan leren en vervolgens je eigen website knutselen. Zoals Marco Raaphorst in z’n vlammende stuk over het belang van open internet al stelde:

Zonder het woord open, geen internet.

Openheid als kans én bedreiging

Nu zie ik op dit vlak twee ontwikkelingen:

  1. Aan de ene kant stimuleert internet als open medium allerlei open ontwikkelingen. Denk aan open source ontwikkeling van software, of de open access beweging die ijvert voor vrije toegang tot wetenschappelijke publicaties. De vrijheid van het web stelt mensen in staat om audio en video te downloaden, welke de echte creatievelingen weer remixen tot nieuwe creaties. En die ontwikkeling wordt opgepikt door partijen die hier kansen in zien;
  2. Aan de andere kant zijn er veel mensen, bedrijven en instanties die in die openheid een bedreiging zien. Films, beelden en muziek waarvan zij de rechten bezitten stromen vrij van de ene naar de andere kant van het internet zonder dat dat de rechthebbenden iets oplevert.

Zelf behoor ik tot de mensen die menen dat de voordelen van openheid de nadelen van “het wegspoelen van het auteursrecht door het elektronische vergiet dat internet heet” (?) overstijgen. Niet de minsten zijn het hiermee eens: de BBC maakt bijvoorbeeld allerlei geproduceerde software beschikbaar onder open source licenties, en is bezig om (oudere) televisieprogramma’s voor download aan te bieden in het Creative Archive (welke helaas alleen in het Verenigd Koninkrijk beschikbaar is).

Aan de andere kant van het “open”-spectrum gaat meeste krakeel (lees: rechtszaken tegen notoire up-/downloaders) van vertegenwoordigers van rechthebbenden over inbreuken op het auteursrecht. Dat is vreemd, want zoals Diederik Stols in zijn column op Netkwesties uitlegt:

Het principe van de Auteurswet is even flexibel als eenvoudig. Alleen de maker heeft het recht zijn werk aan anderen openbaar te maken en te ‘verveelvoudigen’, ofwel te kopiëren.

En sinds 1912 heeft de Auteurswet al heel wat aanvallen overleefd: de grammofoonplaat, de cassetterecorder, de videorecorder, de cd en de dvd. Het heilige principe van het auteursrecht bleef al die tijd overeind. Even zovele keren werd het einde van de amusementsindustrie voorspeld.

Auteursrecht is dus een flexibeler concept dan juristen ons doen geloven. Bovendien spelen er meerdere belangen mee. Waar film- en muziekmaatschappijen bijvoorbeeld tegenaan lopen is dat veel rechtszaken leiden tot negatieve publiciteit. Veel misbruikers van auteursrechtelijk beschermde werken zijn juist de échte fans. Die verzamelen beeldmateriaal van hun favoriete film c.q. serie en zetten dit op een fansite. Die wil je niet van je vervreemden. Dus schakelen filmmaatschappijen langzaamaan over op een meer pragmatische benadering van inbreuken op hun auteursrecht. (Daarnaast zijn er meer redenen voor rechthebbenden om eens goed de kansen van een open internet te bestuderen.)

Duidelijkheid over het gebruiksrecht

Waar het volgens mij aan ontbreekt is duidelijkheid. De gemiddelde internetter houdt zich niet bezig met de auteursrechtelijke bescherming van een bepaald werk. Hij of zij consumeert, en een fractie van het internetpubliek remixt verschillende werken tot een nieuwe creatie. Bekend voorbeeld is de Grey Album, een mix van het White Album van The Beatles met het Black Album van Jay-Z. Beperkingen geven dit soort briljante producties geen stimulans. Veel beter zou het zijn om duidelijk aan te geven wat iemand wel met een werk mag doen: het creatieve gebruiksrecht. Hiervoor bestaan de Creative Commons licenties.

Creative Commons is in 2001 opgericht in de Verenigde Staten en biedt licenties aan die schrijvers, filmmakers, fotografen etc. de mogelijkheid bieden om met behoud van hun auteursrechten werken (via het internet) te verspreiden en ter beschikking te stellen voor hergebruik door derden.

Alles wat ik hier schrijf mag bijvoorbeeld worden hergebruikt, onder deze kort en krachtig geformuleerde rechten en voorwaarden. Stel je voor dat iedereen op deze manier zijn creaties beschikbaar zou stellen. Dan heb je pas een open internet!