NRC’s weblog Wereld linkt vandaag naar een zorgwekkend artikel in Foreign Affairs over de milieusituatie in China:
Zestien van de twintigste vervuildste steden in de wereld liggen in China. Dit is maar één uit een verontrustende reeks cijfers in een uitgebreid en informatief artikel over China’s milieuproblemen in Foreign Affairs.
De vraag is wanneer de milieuvervuiling, in combinatie met de andere problemen die China ook heeft, de Chinese economische ontwikkeling gaan afremmen. In 2005 waarschuwde een Chinese staatssecretaris van Milieu al voor het feit dat het milieu de economische boom niet kon bijbenen. Wat de gevolgen daarvan kunnen zijn is onduidelijk, maar het is niet onwaarschijnlijk dat verontwaardiging over de voortdurende milieuvervuiling zou kunnen leiden tot versterking van sociale onrust. Het probleem is dat de centrale overheid hier in feite maar weinig aan kan veranderen, zoals Foreign Affairs uitlegt:
In fact, local officials rarely heed Beijing’s environmental mandates, preferring to concentrate their energies and resources on further advancing economic growth. The truth is that turning the environmental situation in China around will require something far more difficult than setting targets and spending money; it will require revolutionary bottom-up political and economic reforms.
Of het huidige China daartoe in staat zal zijn is de vraag. En in de tussentijd wordt het land de grootste vervuiler ter wereld. Voor CO2 is het dat al, zoals wij Nederlanders vaststelden:
[..] China is already attracting international attention for its rapidly growing contribution to climate change. According to a 2007 report from the Netherlands Environmental Assessment Agency, it has already surpassed the United States as the world’s largest contributor of carbon dioxide, a leading greenhouse gas, to the atmosphere.
Je gaat je daarbij wel afvragen of het Kyoto Protocol niet alweer op de schop kan. Voor de komende decennia zal het Chinese milieu in ieder geval een grote invloed hebben op de rest van de wereld, direct of indirect. Lees dus zeker het complete artikel voor een overzicht van de actuele milieu-ontwikkelingen in de Volksrepubliek.
In o.a. 2004 schreef ik eerder over China en het milieu. Daarvan is al één artikel terug online gezet uit mijn archief.)
Alle Harry Potter lezers hebben zich ooit wel een voorstelling gemaakt van de Whereabouts Clock van de familie Weasley. Deze geeft constant aan waar alle leden van het gezin zich bevinden (Werk, School, Thuis, In Gevaar!). Een mooi voorbeeld van praktische magie, zou je denken, maar er bestaat er echt eentje! In het Research Lab van Microsoft’s Social-Digital Systems groep:
De klok gebruikt informatie die automatisch door mobiele telefoons wordt verzonden over de locatie van gezinsleden. Nu nog per sms, maar zodra iedereen een mobiel met GPS-functionaliteit heeft gaat dat vast nog makkelijker.
Science Fiction schrijver Arthur C. Clarke stelde ooit:
Any sufficiently advanced technology is indistinguishable from magic.
Het lijkt erop dat we nu in de fase belanden waarin de computer evolueert van een centraal systeem dat actief aangestuurd moet worden naar alom aanwezige, met elkaar verbonden computertjes die ons ’slim’ bedienen van de informatie die we op dat moment nuttig vinden. Experts noemen dat Ubiquitous Computing, ofwel ‘alomvertegenwoordigde rekencapaciteit’.
Voorwaarde voor deze ontwikkeling is dat:
Een infrastructuur van met elkaar verbonden rekencapaciteit in ons dagelijkse leven aanwezig is. De alom vertegenwoordigde mobiele telefoons zijn daar een begin van. Het is even de vraag welke vorm het uiteindelijk gaat krijgen: centrale computers die overal sensoren uitlezen en ons op basis daarvan informatie kunnen leveren? Of decentrale, zelfstandige computertjes die flexibel samenwerken;
Onze interactie met de technologie op een menselijke manier gebeurt. Waarom een toetsenbord of een muis gebruiken, als het ook simpeler kan? Waarom een desktop waar je verschillende programma’s gebruikt als je ook een klok kan gebruiken? In principe zou je over interactie met de techniek niet na hoeven te denken.
Qua mens-computer interactie wordt steeds een stapje verder gezet, zoals uit het bovenstaande blijkt. Het begint nu met de sociale gadgets die worden ontwikkeld. Grappig voorbeeld daarvan is ook de Availabot, die overeind komt als een bepaalde vriend online is in je messenger-programma. Het laat zien dat er genoeg simpele mogelijkheden zijn om de fysieke en de digitale wereld te combineren.
Innovatie. Het is langzamerhand een gevleugeld woord aan het worden in de media. Europa moet innoveren om de rest van de wereld bij te kunnen houden. Nederland heeft haar eigen Innovatieplatform. Maar de betekenis van innovatie verwatert ondertussen op dezelfde manier als het begrip duurzaamheid de afgelopen jaren verwaterde.
Wat betekent innovatie? Volgens de Van Dale is het “invoering van iets nieuws”. Wikipedia gaat al iets verder en stelt: “Innovatie of vernieuwing is het invoeren van nieuwe ideeën, goederen, diensten en processen. Innovatie kan plaatsvinden binnen organisaties maar ook binnen bredere verbanden. Het proces van innovatie draait om dingen op een nieuwe (en zo mogelijk ook betere) manier aan te pakken.”
Daarbij maken de Wikipedia-redacteuren onderscheid tussen een uitvinding en een innovatie. De eerste kom je (bijvoorbeeld) tegen in een laboratorium, van de tweede spreek je als een uitvinding is geïmplementeerd in een (productie)proces.
Zoals ik al aangaf in het item over de innovatie van Nintendo kan het succesvolle resultaat van innovatie bestaan uit hele kleine aanpassingen aan een product. Meestal is het eerder zo dat kleine aanpassingen van een product of proces vanuit een nieuwe visie succesvoller zijn dan intensieve technologische verbeteringen. Arnoud Engelfriet legt dezelfde nadruk in zijn artikel over open innovatie. Daarin geeft hij aan in welke richting innovatie moet gaan:
Een innovatie is een feature, een aspect, een onderdeel van een product. Een moderne televisie bevat bijvoorbeeld meer dan 600 uitvindingen . Sommige daarvan zijn innoverend: Ambilight, 100 Hertz, verbetering van de beeldkwaliteit. Andere zijn al oud: teletekst, automatische zenderselectie, stereo geluid. En dat zijn er nog maar zes van de zeshonderd.
Die overige 594 bij elkaar harken is nog een flinke klus. Die technologieën beschouwen we allang niet meer innoverend of differentiërend. Die wil je dus graag zo goedkoop mogelijk ergens inkopen, en het maakt niet zo veel uit bij wie. Zolang het maar gewoon werkt. Hoe krijg je dat nu voor elkaar?
Het antwoord is: open source software. Deze vrij beschikbare software is het platform waarop voortgebouwd kan worden. Bedrijven en organisaties hoeven zo niet steeds zelf het wiel opnieuw uit te vinden, maar bouwen voort op het eerdere werk van anderen. En daaraan voegen ze hun eigen onderscheidende elementen toe. Dat dit geen toekomstmuziek is blijkt wel uit het volgende lijstje:
De succesvolle internetbrowser Firefox is weer gebaseerd op de open source gemeenschap rond Mozilla; en
Technologieën die door de Firefox/Mozilla open source gemeenschap werden gecreëerd vormen nu de basis van vernieuwende applicaties als Joost en Songbird.
En dan ga ik in dit overzicht nog niet eens in op de open source software waarop de helft van alle websites wereldwijd draaien, als het niet meer is.
Open source als basis voor innovatie is dus geen droom, het is realiteit. Voorlopig is het beperkt tot web- en IT-gerelateerde organisaties of organisatie-onderdelen. Maar naast de software komt er ook steeds meer interesse voor het proces van samenwerken waaruit open source software ontstaat. Ook wel Crowdsourcing geheten. Daarover binnenkort meer, zodra ik in het al klaarliggende Wikinomics ben gedoken (dat niet voor niets de ondertitel ‘How Mass Collaboration Changes Everything’ heeft).
[..] there is a strong relationship between environmental crises and social instability. Similarly, developing world communities with healthy environments and sound practices (from farming sustainably to building greenbelts) often see faster gains in alleviating poverty. This connection between sustainability and social well-being is so pervasive, it applies even to refugees.
So it should perhaps come as no surprise that two major recent studies have strengthened our understanding of that connection.
In reactie op het VN-rapport over verstedelijking geeft Conor Foley op Comment is Free zijn mening over de kansen die verstedelijking biedt:
Urbanisation is shifting the focus of where conflicts are likely to take place in the future. Yet while most reports have focused on its negative impacts, properly planned cities can create economic growth and bring social benefits. Birth-rates drop, life expectancy rises and literacy rates improve as people move to cities. Investing in education, health, and transport systems is both easier and more effective in urban settings.
Leestips op dit vlak zijn altijd welkom in de reacties.
Het boek is een kritisch antwoord op boeken als We-think: The power of mass creativity van Charles Leadbeater. De centrale stelling is dat de “wijsheid van de massa” van Web 2.0 vooral heel veel troep produceert, en dat we ons niet moeten blindstaren op de zeldzame parels.
Er is online al het een en ander geschreven over The Cult of the Amateur, en de achterliggende gedachte. Op basis daarvan pende ik de volgende reactie onder Arnoud’s artikel:
Zelf heb ik het boek van Keen nog niet gelezen (al ligt Wikinomics wel op mijn boekenplank) dus ik kan inhoudelijk geen kritiek leveren.
Wel heb ik het idee dat hij het web vooral bekijkt als bron van feitjes. Afgezien van 2+2=4 zijn veel waarheden afhankelijk van de perceptie van de internetter. Natuurlijk zou het fijn zijn als veel van de ruis die we op het web tegenkomen niet zou bestaan. Aan de andere kant betekent het verhogen van de drempel om te kunnen publiceren naar het web ook dat veel waardevol materiaal er niet aanwezig zou zijn.
De Wisdom of Crowds zal waarschijnlijk een vaste waarde blijven op internet. Daar bovenop komen echter lagen van persoonlijke (zoekmachine)personalisatie, netwerken van mensen met gelijke interesses (via sites als del.icio.us enz.), en andere mogelijkheden/filters die ik nog niet ken of nog ontwikkeld moeten worden. Mooi toch!
Toen ik op de Submit Comments knop had geklikt en mijn gepubliceerde reactie nog eens overlas bedacht ik me: “Dit is nu precies waar Keen het over heeft. Jan en alleman slingert zijn of haar onzin op internet, en gaat daarbij uit van zijn eigen ‘waarheid’.” Shit.
Dus ben ik eerst maar de samenvatting van het boek gaan lezen. En daarin kwam ik al een aantal interessante argumenten tegen over de nadelen van de democratisering van de media/internet. Niet met alles ben ik het eens, maar het boek lijkt me nu de moeite van het lezen waard.
In de V.S. lijkt het alsof het neutrale internet (waarbij backbone-beheerders onder gelijke omstandigheden alle internetverkeer doorgeven) langzaamaan wordt ingeruild voor het gescheiden internet van bevoordeelde en benadeelde internetdata. Vorig jaar werden de verbindingen van YouTube’s provider afgeknepen door de backbone-beheerders, omdat die een groter graantje mee wilden pikken van de bijbehorende verdiensten.
Wat soms onderbelicht blijft in dit debat is een van de voordelen die de neutraliteit de broadband providers biedt, namelijk een beperking van aansprakelijkheid. Als de Internet diensten op netwerk niveau besluiten zich uit eigen belang/beweging te gaan bemoeien met de inhoud of herkomst van pakketjes, dan openen ze de mogelijkheid dat anderen hen vragen in hun belang hetzelfde te doen. Zonder het te weten zouden de telco’s met hun bemoeienis zich wel eens een hoop juridische problemen op de hals kunnen halen.
Dit is een vervolg op het argument dat Michael Geist (een vooraanstaand Canadees professor op het gebied van internetrecht) aanhaalde naar aanleiding van het bericht dat het grootste Amerikaanse telecombedrijf AT&T namens de filmstudio’s uit Hollywood illegaal verspreide films uit het internetverkeer gaat filteren.
Het zal toch niet zo zijn dat over een paar jaar alle, volgens onze internetaanbieder, ‘foute’ websites en downloads niet meer kunnen bereiken? Terwijl al ons surfgedrag wordt opgeslagen en geanalyseerd door overheden. En daarnaast Google, MSN/Microsoft, Yahoo! en consorten ook nog eens ons online leven bijhouden. Beangstigend.
Zo, het weekend is alweer bijna voorbij. En terugkijkend vielen mij vandaag een aantal zaken op. Drie artikelen, om precies te zijn:
’s Neerlands beste muziek- en open content-blogger Marco Raaphort schreef een sterk stuk over de kracht van User Generated Content. Net als hij verwacht ik dat het wereldwijd delen van niet-professioneel gemaakte tekst, foto’s en video’s de creatieve economie zal veranderen. Laten we hopen dat dat op een open manier zal gebeuren;
Erwin Blom, VPRO Digitaal, zette nogmaals op een rijtje waarom Twitter zo geweldig is. Daar was ik het niet helemaal mee eens, zoals ik aangaf in de reacties. Twitter heeft een functie, maar ik vermoed dat het voor het grote publiek vooral interessant is voor mobiele communicatie tussen groepen vrienden/bekenden.
Jaap Stronks vindt dat er van alles mis is met Hyves. De populariteit van Hyves heb ik ook altijd een interessant verschijnsel gevonden. Waarschijnlijk ligt dat toch aan de houding die ik heb ten opzichte van internet: voor mij moet informatie onderling uitwisselbaar zijn tussen webdiensten, waarbij ik ook nog eens eisen stel aan de kwaliteit van de geleverde diensten. Maar de gemiddelde Nederlander bezoekt maar zes websites per dag. Dan is het logisch om te kiezen voor een alles-in-één oplossing die misschien niet op elk gebied kwalitatief goed is.
Is het niet geweldig dat er in Nederland door zo veel mensen wordt nagedacht over internet, creatieve cultuur en de mogelijkheden en beperkingen daarvan? En dat allemaal op open weblogs! Iedereen discussieert mee, en kan gehoord worden. Een open brainstorm.
Natuurlijk moet daar af en toe ook van uitgerust worden. Dus, zal ik de rant van Chris Messina over de toekomst van Mozilla (de makers van mijn favoriete browser Firefox en e-mailprogramma Thunderbird) nog gaan kijken? Het is de keuze tussen vijftig minuten webvideo op postzegelfornaat bekeken vanaf een bureaustoel, of relaxed op de bank met een goed boek. Dilemma…
Weet jij uit je hoofd wat voor dag 22 april is? Ik durf te wedden van niet. Sinds 1970 wordt op 22 april jaarlijks Earth Day gevierd. Het draait op Earth Day natuurlijk om bewustwording, op een toegankelijke manier.
Kort gezegd: Hou maar op met recyclen, want alle moeite die jij doet om het milieu een beetje te beschermen (zoals recyclen, geen plastic tasjes aannemen of zuinig zijn met water) zijn echt peanuts ten opzichte van je ecologsiche voetafdruk (?). Recyclen zou het begin moeten zijn geweest van een langzame ontwikkeling richting milieuvriendelijker gedrag, maar we zijn erin blijven steken.
Natuurlijk doneren we elk jaar braaf aan het WNF of Natuurmonumenten en krijgen daar een goed gevoel van. Die donaties handhaven echter een systeem van NGO’s dat niets verandert. En je gelooft toch serieus niet dat het steeds populairder wordende ‘groen’ consumeren een grotere bijdrage zal leveren aan een duurzamer wereld dan het recyclen? Nee, er zal iets moeten gebeuren:
Doing better will involve, first and foremost, setting a hard bar against which to measure our actions. That bar sits at the level of a one-planet life. Could every person on the planet live like us without destroying the biosphere? Are we at least taking actions which will make our lives and the lives of others one-planet in time to avert disaster?
And time is of the essence here. It looks like we have at most four decades to cut our ecological impacts by a factor of ten, and the longer it takes us, the deeper the cuts will need to be and more painful the consequences will prove.
Wereldverandering: de randvoorwaarden
WorldChanging beargumenteert dat er een aantal vereisten zijn voor voordat onze systemen omgezet kunnen worden naar echt duurzame:
Transparantie – van zowel de overheid als bedrijven. Iedereen moet kunnen nagaan en begrijpen waarom bepaalde acties worden genomen, waar stromen (grondstoffen, energie, geld, etc) vandaan komen en naartoe gaan;
Betere connecties – zodat informatie en ervaringen kunnen worden gedeeld tussen de vele netwerken van mensen die zich bezig houden met een duurzamer wereld. De focus moet liggen op van elkaar leren en elkaar inspireren;
Nieuwe ideeën – over onze manier van leven, het ontwerp van producten en hoe we omgaan met onze omgeving. Want als we een alternatief willen bieden voor onze huidige manier van leven, moet alles anders.
Wat moet je hiermee?
Je hebt het stuk op WorldChanging gelezen. Wat nu? Ga je meteen stoppen met al die kleine inspanningen voor het milieu die toch nauwelijks helpen? Tsja. Ik weet het eigenlijk ook niet.
Aan de ene kant is het verrassend om zo’n negatief stuk te lezen op dé site met positieve berichtgeving over duurzame ontwikkelingen en ideeën. Aan de andere kant is al vaak geconstateerd dat deze planeet geen 10 miljard mensen het Westerse welvaartsniveau kan bieden op basis van de huidige systemen. Terwijl miljarden mensen daar wel naar streven, en zich wel steeds verder in die richting ontwikkelen (zoals je kunt zien als je wat gaat spelen met Gapminder). De vraag is wat er op wereldniveau zal gebeuren als die ontwikkelingen zich verder doorzetten. Draait het uit op complete chaos (rampen, oorlog om energie en grondstoffen, etc), of schakelen we massaal over op een duurzamer levensstijl? Vermoedelijk ligt de waarheid ergens in het midden.
Zojuist heb ik op Google Video de presentatie van Hans Rosling (?) over Gapminder’s Trendalyzer bekeken. Een aanrader! Want Trendalyzer biedt je een nieuwe kijk op de wereld:
Wat is Gapminder’s Trendalyzer?
Trendalyzer is een stuk gereedschap waarmee iedereen de ontwikkeling van landen in de tijd kan vergelijken. En als ik zeg iedereen, bedoel ik echt iedereen. Je selecteert een landen, kiest 2 opties uit de beschikbare variabelen (bijvoorbeeld CO2-uitstoot uitgezet tegen inkomen), en drukt op ‘Play’. En wat heb je dan gecreëerd? Een animatie van hoe de CO2-emissie van elk individueel land veranderde met (gemiddelde) inkomensveranderingen. Dat klinkt simpel. En dat is het ook!
Waarom dan zo enthousiast over Trendalyzer?
Het is gewoon gereedschap. Maar wel een stuk software dat ‘onbegrijpelijke’ data uit vele verschillende databases bij elkaar brengt en inzichtelijk maakt. Het samenbrengen van die types en hoeveelheden data is al weinig gebeurt. Nu kan Jan en alleman, zonder tussenkomst van experts, gaan bekijken of zijn aannames over de ontwikkelingen in bepaalde landen of regio’s kloppen.
Zie het als de Google van databases. Net zoals Google informatie op internet op een gebruiksvriendelijke manier weer vindbaar maakte, maakt Gapminder grote datahoeveelheden op een gebruiksvriendelijke manier inzichtelijk. En dat biedt mogelijkheden:
Beleidsmakers kunnen in één oogopslag zien of de ideeën achter hun economische of ontwikkelingsbeleid kloppen;
Ondernemers kunnen nagaan of een bepaalde afzetmarkt interessant is;
Ontwikkelingsorganisaties kunnen hun campagnes aanpassen en beter richten op lokale verschillen in inkomen, gezondheid en behoeftes.
Uiteindelijk draait het om inzicht. Gapminder’s Trendalyzer verschat inzicht in materie die ontoegankelijk was voor gewone mensen (lees: iedereen behalve wetenschappers en vooral statistici).
Naast de gezellige onzin van YouTube en de publieke televisie van Uitzending Gemist kun je sinds vandaag gratis onlijn genieten van de presentaties van ’s werelds visionairen. Inspiratie gedeeld! (Althans, door degenen op de TED conferentie (?) mochten presenteren. )