Jun 27 2007

The Cult of the Amateur

Arnoud Engelfriet blogt over The Cult of the Amateur, het boek waarin Andrew Keen beargumenteert dat internet ten onder gaat aan de democratisering van internet en media.

Het boek is een kritisch antwoord op boeken als We-think: The power of mass creativity van Charles Leadbeater. De centrale stelling is dat de “wijsheid van de massa” van Web 2.0 vooral heel veel troep produceert, en dat we ons niet moeten blindstaren op de zeldzame parels.

Er is online al het een en ander geschreven over The Cult of the Amateur, en de achterliggende gedachte. Op basis daarvan pende ik de volgende reactie onder Arnoud’s artikel:

Zelf heb ik het boek van Keen nog niet gelezen (al ligt Wikinomics wel op mijn boekenplank) dus ik kan inhoudelijk geen kritiek leveren.

Wel heb ik het idee dat hij het web vooral bekijkt als bron van feitjes. Afgezien van 2+2=4 zijn veel waarheden afhankelijk van de perceptie van de internetter. Natuurlijk zou het fijn zijn als veel van de ruis die we op het web tegenkomen niet zou bestaan. Aan de andere kant betekent het verhogen van de drempel om te kunnen publiceren naar het web ook dat veel waardevol materiaal er niet aanwezig zou zijn.

De Wisdom of Crowds zal waarschijnlijk een vaste waarde blijven op internet. Daar bovenop komen echter lagen van persoonlijke (zoekmachine)personalisatie, netwerken van mensen met gelijke interesses (via sites als del.icio.us enz.), en andere mogelijkheden/filters die ik nog niet ken of nog ontwikkeld moeten worden. Mooi toch!

Toen ik op de Submit Comments knop had geklikt en mijn gepubliceerde reactie nog eens overlas bedacht ik me: “Dit is nu precies waar Keen het over heeft. Jan en alleman slingert zijn of haar onzin op internet, en gaat daarbij uit van zijn eigen ‘waarheid’.” Shit.

Dus ben ik eerst maar de samenvatting van het boek gaan lezen. En daarin kwam ik al een aantal interessante argumenten tegen over de nadelen van de democratisering van de media/internet. Niet met alles ben ik het eens, maar het boek lijkt me nu de moeite van het lezen waard.


Jun 12 2007

Brengt internet de nieuwe openheid?

De kracht van internet is de openheid. Iedereen kan alles wat online staat bekijken. Je kunt webpagina’s downloaden, de HTML code erachter bestuderen, daarvan leren en vervolgens je eigen website knutselen. Zoals Marco Raaphorst in z’n vlammende stuk over het belang van open internet al stelde:

Zonder het woord open, geen internet.

Openheid als kans én bedreiging

Nu zie ik op dit vlak twee ontwikkelingen:

  1. Aan de ene kant stimuleert internet als open medium allerlei open ontwikkelingen. Denk aan open source ontwikkeling van software, of de open access beweging die ijvert voor vrije toegang tot wetenschappelijke publicaties. De vrijheid van het web stelt mensen in staat om audio en video te downloaden, welke de echte creatievelingen weer remixen tot nieuwe creaties. En die ontwikkeling wordt opgepikt door partijen die hier kansen in zien;
  2. Aan de andere kant zijn er veel mensen, bedrijven en instanties die in die openheid een bedreiging zien. Films, beelden en muziek waarvan zij de rechten bezitten stromen vrij van de ene naar de andere kant van het internet zonder dat dat de rechthebbenden iets oplevert.

Zelf behoor ik tot de mensen die menen dat de voordelen van openheid de nadelen van “het wegspoelen van het auteursrecht door het elektronische vergiet dat internet heet” (?) overstijgen. Niet de minsten zijn het hiermee eens: de BBC maakt bijvoorbeeld allerlei geproduceerde software beschikbaar onder open source licenties, en is bezig om (oudere) televisieprogramma’s voor download aan te bieden in het Creative Archive (welke helaas alleen in het Verenigd Koninkrijk beschikbaar is).

Aan de andere kant van het “open”-spectrum gaat meeste krakeel (lees: rechtszaken tegen notoire up-/downloaders) van vertegenwoordigers van rechthebbenden over inbreuken op het auteursrecht. Dat is vreemd, want zoals Diederik Stols in zijn column op Netkwesties uitlegt:

Het principe van de Auteurswet is even flexibel als eenvoudig. Alleen de maker heeft het recht zijn werk aan anderen openbaar te maken en te ‘verveelvoudigen’, ofwel te kopiëren.

En sinds 1912 heeft de Auteurswet al heel wat aanvallen overleefd: de grammofoonplaat, de cassetterecorder, de videorecorder, de cd en de dvd. Het heilige principe van het auteursrecht bleef al die tijd overeind. Even zovele keren werd het einde van de amusementsindustrie voorspeld.

Auteursrecht is dus een flexibeler concept dan juristen ons doen geloven. Bovendien spelen er meerdere belangen mee. Waar film- en muziekmaatschappijen bijvoorbeeld tegenaan lopen is dat veel rechtszaken leiden tot negatieve publiciteit. Veel misbruikers van auteursrechtelijk beschermde werken zijn juist de échte fans. Die verzamelen beeldmateriaal van hun favoriete film c.q. serie en zetten dit op een fansite. Die wil je niet van je vervreemden. Dus schakelen filmmaatschappijen langzaamaan over op een meer pragmatische benadering van inbreuken op hun auteursrecht. (Daarnaast zijn er meer redenen voor rechthebbenden om eens goed de kansen van een open internet te bestuderen.)

Duidelijkheid over het gebruiksrecht

Waar het volgens mij aan ontbreekt is duidelijkheid. De gemiddelde internetter houdt zich niet bezig met de auteursrechtelijke bescherming van een bepaald werk. Hij of zij consumeert, en een fractie van het internetpubliek remixt verschillende werken tot een nieuwe creatie. Bekend voorbeeld is de Grey Album, een mix van het White Album van The Beatles met het Black Album van Jay-Z. Beperkingen geven dit soort briljante producties geen stimulans. Veel beter zou het zijn om duidelijk aan te geven wat iemand wel met een werk mag doen: het creatieve gebruiksrecht. Hiervoor bestaan de Creative Commons licenties.

Creative Commons is in 2001 opgericht in de Verenigde Staten en biedt licenties aan die schrijvers, filmmakers, fotografen etc. de mogelijkheid bieden om met behoud van hun auteursrechten werken (via het internet) te verspreiden en ter beschikking te stellen voor hergebruik door derden.

Alles wat ik hier schrijf mag bijvoorbeeld worden hergebruikt, onder deze kort en krachtig geformuleerde rechten en voorwaarden. Stel je voor dat iedereen op deze manier zijn creaties beschikbaar zou stellen. Dan heb je pas een open internet!


Apr 25 2007

Onzinnige auteursrechtorganisaties

Auteursrecht is een groot goed. Het geeft mensen die iets creëren (schrijvers, schilders, fotografen, etc.) het recht om te bepalen hoe, waar en wanneer hun werk mag worden gebruikt. Hieronder valt onder andere het recht om kopieën en reproducties van het werk te maken, het te verkopen of om afgeleide producten te maken en het werk tentoon te stellen.

Copyright logo

Omdat er weinig creatievelingen zijn die dag in, dag uit bezig willen zijn met het beheren en beschermen van hun auteursrecht zijn hier organisaties voor opgezet. En deze auteursrechtorganisaties doen erg nuttig werk:

  1. Ze houden bij waar, hoe en hoe vaak auteursrechtelijk beschermde werken gebruikt worden;
  2. Innen een vergoeding voor het gebruik van deze creaties;
  3. En verdelen dit geld weer onder de rechthebbenden.

Een mooi systeem, nietwaar? Je zou denken van wel. Toch haalde Karin Spaink in Het Parool flink uit naar deze clubs:

Auteursrechtenorganisaties roepen moord en brand over downloaden en piraterij, we lezen wekelijks hoe erg internet voor auteursrechten is, maar tegelijkertijd zijn ze zelf sloom, ouderwets en achterlijk, en verhinderen ze de legale verkoop van materiaal dat mensen graag willen aanschaffen.

De ondoorzichtige wereld van de auteursrechtorganisaties

Om het overzichtelijk te houden zijn er tig organisaties die zich opwerpen als belanghebbenden van kunstenaars en artiesten. Ik tel er 21. De bekendste daarvan zijn Stichting Brein (tegen misbruik van auteurs- en naburige rechten), Buma/Stemra (muziekauteursrecht) en Stichting De Thuiskopie (voert de thuiskopieregeling uit).

Een aantal van de 21 zijn aangewezen door de overheid om een bepaalde taak uit te voeren. Deze worden gecontroleerd door een College van Toezicht (omdat ze een monopoliepositie bezitten). Veel meer stichtingen hoeven helemaal geen rekenschap af te leggen en zijn niet te controleren. Bovendien is het maar de vraag of het eerder genoemde College van Toezicht voldoende bevoegdheden heeft. Transparant kun je het niet noemen.

Auteursrecht in het digitale tijdperk

Dankzij internet kent iedereen de namen Brein en Buma/Stemra. Alle ontwikkelingen rondom het web hebben hen een duidelijke missie en bestaansrecht gegeven: de “boeven” pakken die bestanden waarop auteursrecht rust uploaden en op internet beschikbaar maken.

Deze organisaties zijn er echter niet in geslaagd zich aan te passen aan de radicale veranderingen die het digitale tijdperk met zich meebrengt. Dit ligt waarschijnlijk mede aan het feit dat ze als vertegenwoordigers van de platen- en filmindustrie een in het nauw gedreven branche vertegenwoordigen. Vier punten die dit illustreren:

  1. Digitale distributie, zowel bedreiging als kans: Het gebruiken, kopiëren en vooral distribueren van digitale bestanden is natuurlijk onvergelijkbaar met het maken van een kopie in het analoge tijdperk. Hierop is niet of veel te laat ingespeeld door de platenmaatschappijen en de vertegenwoordigers daarvan. Terwijl het een eigenlijk een kans is. Als iedereen alle ooit gemaakte muziek en films kan downloaden, zijn er veel meer mogelijkheden om klanten/fans te winnen;
  2. Downloaden als klantenbinding: Downloaden hoeft helemaal geen probleem te zijn. Er zijn voldoende voorbeelden te noemen van bands die dankzij gratis downloads een grote schare fans opbouwden en daar goed aan verdienen. Het beleid van de platenmaatschappijen en de vertegenwoordigende auteursrechtorganisaties staat dit echter niet toe omdat ze gefocust zijn op de rechten, en niet op de verdiensten die het uiteindelijk de artiest kan opleveren;
  3. Open licenties naast exclusief copyright: De laatste jaren zijn bovendien alternatieven voor het exclusieve auteursrecht aan het opkomen. Dit zijn “open” licenties als die van Creative Commons, die gebruikers van auteursrechtelijk beschermde werken veel meer rechten en mogelijkheden geven. Op de fotosite Flickr.com zijn al miljoenen foto’s beschikbaar onder Creative Commons licenties. Artiesten die lid zijn va de Buma/Stema mogen echter geen muziek beschikbaar stellen onder Creative Commons. En dat er zoiets als open source software bestaat (Firefox? Thunderbird?) is ook nog niet doorgedrongen tot Stichting Brein;
  4. Nieuwe mediavormen: Er zijn nieuwe media onstaan die veel minder controleerbaar zijn. Denk aan Youtube. Internetradio. Of podcasting. Hiervoor geldt weer hetzelfde als onder punt 1: je kunt het zien als een bedreiging of een kans. Amerikaanse internetradio lijkt de nek te worden omgedraaid door torenhoge tarieven. En podcasters vluchten massaal naar muziek die niet onder het klassieke auteursrecht valt. Gemiste kansen.

Het is en blijft belangrijk dat artiesten betaald worden voor hun werk. De vraag is of dat het beste kan gebeuren door organisaties die vooral de belangen van platen- en filmmaatschappijen behartigen. Ik denk het niet. Of deze auteursrechtinners moeten zichzelf opnieuw uitvinden en realiseren dat internet vooral ook kansen biedt voor hun klanten: de artiest.

Update: Het Europees Parlement heeft gisteren trouwens een nieuwe richtlijn aangenomen over het strafrechtelijk aanpakken van auteursrechtschendingen.